Lelystad_Airport_DSC2314 Karel Staa

De gunfactor in de MRA

Vijftien jaar geleden maakte men zich in de Randstad zorgen over het Groene Hart van de Randstad. Dat dreigde namelijk volgebouwd te worden. De Kamer van Koophandel Flevoland wees toen op de ruimte die in het gebied tussen Amsterdam – Amersfoort – Almere en Lelystad voor uitbreiding van de Randstad beschikbaar is. Dat gebied werd de Oostflank van de Randstad genoemd. Sterker nog: samen met de Kamers Gooi en Eemland richtten zij de Federatie Oostflank op om nadrukkelijk de aandacht op deze uitbreidingsmogelijkheid van de Randstad te vestigen. Deze beweging was de Kamer van Koophandel Amsterdam niet welgevallig. Juist in de periode dat het aantal Kamers zou worden teruggebracht, ging Flevoland vrijen met Amersfoort en Hilversum!

De directeur en de voorzitter – dat was ik – van de Kamer Flevoland werden daarom uitgenodigd het imposante kantoor aan het IJ te bezoeken. Toen wij in de comfortabele fauteuils van de voorzitterskamer neerzegen, vroeg de Amsterdamse voorzitter me – om me op mijn gemak te stellen – te vertellen wat ik zoal deed in het dagelijks leven. Ik vertelde gretig over mijn bedrijf IVIO, een combinatie van een opleidingsinstituut en een educatieve uitgeverij. Alle volgende ontmoetingen stelde hij me de vraag hoe het toch met mijn drukkerij ging. Aanvankelijk legde ik uit dat ik geen drukkerij had, maar na verloop van tijd begon ik een lukraak antwoord te geven. Hij vroeg op warme toon: hoe is het met je drukkerij en wachtte het antwoord niet af. Dus ik zei maar wat. Ik berustte erin dat de voorzitter van de Amsterdamse kamer wel belangstellend, maar niet geïnteresseerd was. Je kunt het ook arrogante desinteresse noemen. Ik maak een karikatuur en een anekdote van deze voorgeschiedenis, maar het is wel een voorbeeld van hoe in de ogen van Flevoland door Amsterdam naar Flevoland werd gekeken. Trefwoord: arrogantie.

Tien jaar geleden veranderde het stimuleringsbeleid van het ministerie van economische zaken. Het zou voortaan niet meer gaan om het opheffen van achterstanden, maar om het versterken van kansrijke economische clusters, zogenaamde pieken. Er verscheen een piekenkaart, waarover alle bestuurders in Nederland met economie in portefeuille zich spoorslags bogen om te zien of zich in hun gebied een piek bevond. Dat het in Noord- en Zuid-Holland het geval zou zijn, lag voor de hand, maar ook de bestuurders van bijvoorbeeld Limburg en Groningen konden tot hun vreugde een piek ontwaren. Zo niet Flevoland. Geen piek in Flevoland. Op zichzelf niet zo verwonderlijk, want de economie van Flevoland was en is volop in ontwikkeling en was nog te jong om te pieken. Het was wel mogelijk via samenwerkingen wat van de middelen naar ons gebied te laten vloeien.

Wethouder Laetitia Griffith van Amsterdam werd belast met de opdracht een zogenaamde programmacommissie te vormen. Die commissie moest subsidieverzoeken beoordelen en doorgeleiden naar het ministerie. Ik realiseerde me dat de gedeputeerde economische zaken van het piekloze Flevoland niet spontaan voor die commissie gevraagd zou worden. Daarom besloot ik een nette sollicitatiebrief naar Laetitia te sturen. Compleet met CV erbij.

Vrij kort daarna werd ik uitgenodigd voor een gesprek op de Stopera. Men vreesde dat ik het niet goed begrepen had.

Het aanvankelijk wat ongemakkelijke gesprek – men voorzag immers mij te moeten afwijzen – werd een stuk gemakkelijker toen ik uitlegde wat ik werkelijk wilde: Flevoland heeft geen piek, maar wenst daarop niet veroordeeld te worden, want het Nieuwe Land is een grote prepiek. De aanpak heeft geholpen, want we hebben aan ongeveer zes Piekprojecten mogen meedoen. Trefwoord: tolerantie.

Op de Metropoolregio Amsterdam-conferentie in 2005, die plaatsvond in Almere, stelde ik voor Lelystad tot onderdeel van de MRA-regio te benoemen. Dat werd met het oog op de verwachte uitbreiding van de luchthaven Lelystad akkoord bevonden.

In die conferentie werd overigens ook het Platform Bedrijventerreinen en Kantoorlokaties in het leven geroepen: Plabeka. Iedereen zag toen in dat er veel te veel plannen waren en dat daarin moest worden gesaneerd. Plabeka werd een groot succes, omdat er werkelijk een groot gemeenschappelijk belang speelde. Het was geen onderwerp voor retorica, maar voor stevig en praktisch onderhandelen. Er is kennelijk een gedeeld belang nodig om echte samenwerking van de grond te krijgen, om voor elkaar relevant te zijn. Trefwoord: relevantie.

Het is zonneklaar dat zich in de wereld enkele economische hotspots bevinden. Elk van die hotspots heeft een grote stedelijke kern, voor ons is dat Amsterdam. De Ontwikkelingsmaatschappij Flevoland noemt Flevoland in haar Engelstalige brochure: the easter wing of Greater Amsterdam. Maar de vraag is: hoe gaat die kernstad om met haar satellieten? Is die stad bereid om het gedeelde belang te zoeken.

De fasen van de arrogantie en de tolerantie zijn voorbij, dat is duidelijk, maar zijn Almere en Lelystad en de rest van Flevoland in de ogen van de hoofdstad ook relevant?

De commissarissen van de koning Remkes en Verbeek zijn er wel uit. Zij zeggen in Podium, het MRA-blad, ‘dat de metropoolsamenwerking op hoofdpunten staat als een huis” en ook dat de gunfactor er is. Remkes: “De gunfactor is echt onontbeerlijk om binnen een samenwerkingsverband tot goede resultaten te komen”. En hij voegt eraan toe: “Anders dan in de Zuidvleugel is die in de MRA aanwezig”. Misschien toch nog een tikje arrogant?

Het is niettemin een bemoedigend geluid. Ik had een merkwaardige associatie. Eens trad ik op voor een gezelschap agrarische ondernemers. Het was een plezierige bijeenkomst, er werden allerlei beleefde vragen gesteld en toen ik wegging, kreeg ik een mandje streekproducten mee. Bij thuiskomst bleken die streekproducten alle net op over de datum te zijn.

Een paar jaar later trad ik opnieuw op voor agrarische ondernemers. Ongeveer 80 mensen. Het was een roerige bijenkomst, mij werden op ruwe toon allerlei indringende vragen gesteld. Aan het eind kreeg ik een mandje met streekproducten. Enigszins wantrouwend geworden controleerde ik onmiddellijk de houdbaarheidsdata ervan. Ze waren alle nog geruime tijd nuttigbaar. Een positieve ontwikkeling. Ik was voor de agrariërs van irrelevant relevant geworden.

Ik spreek niet over de toekomst van de MRA tegen de achtergrond van de grote trends die de economie beïnvloeden: de digitale datastromen, de circulaire economie, de deeleconomie, de opkomst van de kleinschalige economische activiteit. Een andere keer graag. Nu ben ik vooral benieuwd te horen of Flevoland voor de bestuurders van de MRA werkelijk een relevante partner is geworden. Een partner met een veelbelovende houdbaarheidsdatum. Inhoudelijk is het dat al lang, is Flevoland er zelfs voor gemaakt, maar is het dat nu ook gezien vanuit de bestuurlijke context? Met meer dan een gunfactor?

Foto: Karel Staa

Gerelateerd nieuws

FlevoZine | Contact

postbus 283, 8200 AG Lelystad

email: via contactformulier

0320 - 840 310

FlevoZine | Categorie
FlevoZine | archief